Blog

Blij met een dode mus

Geschreven door Ds. Johan Duijster. Gepost in Nieuws.

musDe Permanente Educatie voor predikanten (PEP) loopt niet zoals het wezen moet. Niet zoals de PKN dat voor de ogen en oren van haar predikanten heeft uitgetekend. Ik moet eerlijk bekennen dat de huidige opzet mij ook niet zo past. Zo heb ik mij bijvoorbeeld een aantal keer aangemeld voor een cursus en even zo vaak kreeg ik te horen dat de cursus niet door ging omdat er te weinig deelname was. Met die ervaring wil ik de opzet niet afdoen als slecht. Dat kan gebeuren en het gebeurt ook bij cursussen buiten kerk en theologie om. Al is het wel vervelend.

De eigenlijke reden dat de PEP mij niet past is veel persoonlijker. Het is gewoon zo, dat ik een hekel heb aan schoolbanken. Luisteren, notities maken, samenvattingen en verslagen schrijven volgens bepaalde uitgekiende leermethodes, pfff, de zin is er al uit voordat hij aanwezig is. Ik heb ontdekt dat ik gewoon anders leer. Geen methodes voor mij, maar gewoon het leven. Het dagelijkse leven. Om daar een voorbeeld van te geven:

Afgelopen week liep ik de kamer in. Hoorde een flinke tik tegen één van de ruiten. Keek direct naar buiten. En zag een vogel ter aarde storten. Veren in de war. Vleugels onnatuurlijk gespreid. Bloed gulpte uit de snavel. De staart zakte langzaam van hemelhoog naar aardsbeneden. De vogel was reddeloos verloren. Wat overbleef was een ontzielde vederdos. Ik stond erbij en ik keek ernaar. ‘k Was machteloos gebonden, om het maar zo te zeggen. En meteen dacht ik: ‘Geen mus valt ter aarde als onze hemelse Vader het niet wil.’
Later zocht ik die woorden nog eens op (Matt. 10:29). Gewoon, om te kijken wat Jezus daarmee nou eigenlijk bedoelde. Want stel je voor, zou God voor deze vogel specifiek gewild hebben dat hij zich dood vloog? Zo las ik dus dat gedeelte. Vervolgens de tekst er om heen. De context. Ik onderzocht ook de grondtekst. Toen stuitte ik op Beëlzebul. De heer der vliegen, zoals een dominee het kerkvolk ooit mooi uitlegde. Maar de grondtekst zegt iets anders. Geen heer der vliegen, maar heer des huizes. Baäl betekent ‘heer’ en Zebul komt van het werkwoord dat verheffen betekent. Als Lea haar zesde zoon baart, geeft zij hem de naam Zebulon. Nu zal mijn man mij verheffen. Hoogachten, eren. Dit woord heeft verwante betekenissen als vorst (de verhevene) en huis (verheven woning). Toen ik daar wat omheen spitte las ik ergens dat Beëlzebul ook nog de betekenis van heer van de ziekte heeft. De link wordt duidelijk als we weten dat in de tijd van Jezus, ziekte als bezetenheid werd gezien. De trits, vorst, huis, ziekte is gelijk aan: bezitter, bezit, bezetenheid. Daarom beweren de farizeeën dus dat Jezus een verbond heeft met Beëlzebul. Omdat Hij zieken geneest. Zij zien in Hem iemand die de baas wil zijn (bezitter) in het huis van Israël (bezit) en daarbij een onnavolgbaar spel met de ziekte (bezetenheid) speelt. Dat maakt veel meer duidelijk dan de uitleg van de heer der vliegen.

Die zal trouwens binnenkort ook wel komen opdagen. Om mijn dode vogel in bezit te nemen met zijn legers. De vliegen. Want dat is de duivel dan toch ook. Heer der vliegen. Vorst der duisternis, die woont in de dood. Is dat verontrustend? Voor mij niet. Bekend zijn de eendagsvliegen. Over God is bekend dat Hij eeuwig is. Toch wilde ik ‘mijn vogel’ niet aan de vliegen overlaten. Ik heb hem begraven. In gemeentelijke grond.
Van ‘mijn’ dode vogel kreeg ik deze les mee. God is geen bezitter van mensen. Hij wil ons niet in Zijn domein gevangen houden. We mogen zo vrij als een vogel vliegen waar we willen. Ik denk dat Jezus niet voor niets over mussen begint. Er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. Met andere woorden. Ze zijn geen bezit. Niemand kan hen bezitten. Ze vliegen, ze dartelen, ze spelen vrij met de wind. Ze kwinkeleren dat het een lieve lust is. Begeleiden met hun zang de zonopkomst en de zonsondergang. Van waar de zon in het oosten straalt tot waar ze in het westen nederdaalt, zij ’s Heren grote naam geprezen (Ps. 113). Vogels maken van de lofzang serieus werk. Vrijheid doet zingen. Wij gaan de vogels ver te boven. God wil dat we vrij zijn. Dat cirkelt om de kern van Gods Woord. De kern is liefde. De vrijheid haar vleugels. Daar zitten risico’s aan. Er zijn kapers op de kust die je de vrijheid niet gunnen en bezit van je willen nemen. Er zijn rovers die je verslinden willen, die rondgaan als een briesende leeuw. En soms zijn er ramen. Ze misleiden je en spiegelen je een ruimte en vrijheid voor die er niet is. Misschien dacht mijn dode vogel dat wel. Of misschien werd hij opgejaagd en zag geen andere uitweg. Hoe dan ook, hij vloog zich dood. Hij stierf in het harnas van de vrijheid.

We leven rond de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Zondag Voleinding. We weten uit Gods beloften dat Hij, die ons de vrijheid gegeven heeft, de dood niet het laatste woord heeft gegeven. Die is het momentane domein van de duivel, de Boze Bezitter die bezitten wil. Die zijn legers gebiedt van de dood bezit te nemen. Gelukkig heeft hij het niet door. Vrijheid is niet te vangen. Want vrijheid geeft vleugels aan de liefde. Van de liefde die nooit vergaat. Die les leerde ik van mijn dode vogel. En ik ben er blij mee. Met die les, niet met zijn dood. Al weet ik ook wel dat de hemelse Vader erbij was toen hij als hoopje veren ter aarde viel.

Kort terug naar het begin. De Permanente Educatie zou ook vleugels moeten hebben. Vleugels die ruimte en vrijheid bieden aan het leren. Daarentegen, we hoeven niets af te slaan. Behalve vliegen.
Een vogelvrije groet, Johan Duijster - vdm