
vrijdag 3 april 2026
Aanvang: 19:30 uur
Dienst: Goede Vrijdag
Voorganger: Ley Bodden
Locatie: Bethlehemkerk
Collectebestemming:
Geen collecte,

Menselijke zwakte, kracht in Christus Jezus.
Wij lezen in de dienst het lijdensverhaal Marcus 14:1-15:47.
Het lijdensverhaal toont de breekbaarheid van de mens, maar tegelijk de voortdurende aanwezig-heid van God in ons lijden.
Wij worden aangemoedigd onze eigen zwakheden te erkennen en te rusten op de zekerheid dat God ons nooit verlaat, zelfs niet in de diepste duisternis.
Kom op Goede Vrijdag samen om deze hoopvolle waarheid te ervaren.
Inleiding
Het gebruik om het lijdensverhaal (de Passie) met drie personen te lezen in de liturgie stamt uit de middeleeuwen, en werd vanaf ongeveer de 10e tot 12e eeuw gangbaar binnen de Latijnse Kerk.
Bij het zingen of lezen van het Passieverhaal (vooral op Palmzondag en Goede Vrijdag) worden de rollen verdeeld over drie personen:
• De Christus (de woorden van Jezus)
• De Chronist of Evangelist (de verteller van het verhaal)
• De Synagoga of Turba (de menigte, Petrus, Pilatus, etc.)
Dit werd aanvankelijk gezongen in gregoriaanse zang en later ook polyfoon in meerstemmige mu-ziek.
Ontwikkeling:
• 10e-12e eeuw: eerste aanwijzingen van dramatisering en verdeling van rollen in kloosters.
• 13e eeuw: het wordt gebruikelijker in grotere kerkelijke liturgieën.
• Renaissance en Barok: componisten als Victoria, Lassus, en later Bach (met zijn Matthäus- en Jo-hannespassion) bouwen hierop voort, met uitgebreide muzikale interpretaties.
Geen collecte
De avondmaalstafel is leeg
De dienst begint in stilte
Gebed
Voorganger
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Zingen: Psalm 31: 1, 2, 4, 10 en 18
Gebed
…
Allen:
Heer, verhoor ons.
Schriftlezing ~ Lijdensverhaal: Marcus 14:1-15:47
Twee gemeenteleden lezen samen met de voorganger het lijdensevangelie.
J. = Jezus ~ voorganger
E. = Evangelist ~ lector 1
degene die de beschrijvende of verbindende tekstgedeelten leest
A. = Anderen ~ lector 2
de andere Bijbelse personen
E. Het lijden van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
E. De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hoge-priesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om Hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. Ze zeiden:
A. Maar niet op het feest, want dan komt het volk in opstand.
E. Toen Hij in Betanië in het huis van Simon – degene die aan een huidziekte had geleden – aan-lag voor de maaltijd, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje open en goot de olie uit over zijn hoofd. Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar:
A. Waar is deze verkwisting goed voor? Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.
E. Ze voeren tegen haar uit. Maar Jezus zei:
A. Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn. Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.
E. Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leve-ren. Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om Hem op een geschikt moment uit te leveren. Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen Hem:
A. Waar wilt U dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?
E. Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen:
A. Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoetkomen; volg hem, en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De mees-ter vraagt: Waar is het gastenvertrek waar Ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?” Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.
E. De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals Hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. Toen de avond was gevallen, kwam Hij met de twaalf. Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus:
J. Ik verzeker jullie: een van jullie, die met Mij eet, zal Mij uitleveren.
E. Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan Hem:
A. Ik ben het toch niet?
E. Maar Hij zei tegen hen:
J. Het is een van jullie twaalf, die met Mij uit dezelfde schaal eet. Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uit-geleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.
E. Terwijl ze aten, nam Hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei:
J. Neem hiervan, dit is mijn lichaam.
E. En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen:
J. Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. Ik verzeker jullie: Ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot de dag dat Ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.
E. Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.
*****
E. Jezus zei tegen hen:
J. Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.” Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.
E. Petrus zei tegen Hem:
A. Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!
E. Jezus antwoordde:
J. Ik verzeker je: juist jij zult Me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.
E. Maar Petrus hield met grote stelligheid vol:
A. Al zou ik met U moeten sterven, verloochenen zal ik U nooit.
E. Alle anderen zeiden iets dergelijks. Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette, en Hij zei tegen zijn leerlingen:
J. Blijven jullie hier zitten, terwijl Ik ga bidden.
E. Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden en zei tegen hen:
J. Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe. Blijf hier waken.
E. Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan Hem voorbij mocht gaan. Hij zei:
J. Abba, Vader, voor U is alles mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.
E. Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus:
J. Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.
E. Weer ging Hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. Toen Hij weer terug-kwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terugkwam, zei Hij tegen hen:
J. Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is genoeg. Het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. Sta op, laten we gaan; kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.
*****
E. Nog voor Hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. Judas, die Hem zou uitleveren, had met hen een teken afgesproken. Hij had gezegd:
A. Degene die ik kus, die is het. Neem Hem gevangen en voer Hem weg onder strenge bewaking.
E. Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei:
A. Rabbi!
E. En kuste Hem. Ze grepen Hem vast en namen Hem gevangen. Een van de omstanders trok een zwaard, haalde uit en sloeg de dienaar van de hogepriester een oor af. Jezus zei tegen hen:
J. U bent er met zwaarden en knuppels op uit getrokken om Mij te arresteren, alsof Ik een mis-dadiger ben! Dagelijks was Ik bij u in de tempel om onderricht te geven, en toen hebt u Me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.
E. Toen lieten allen Hem in de steek en vluchtten weg. Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij Hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg. Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur. De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden Jezus op grond van een getuigenverklaring ter dood te veroordelen, maar dat lukte hun niet; want hoewel veel mensen een valse verkla-ring aflegden, waren hun getuigenissen niet afdoende. Toen kwamen er een paar met de vol-gende valse verklaring:
A. We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”
E. Maar ook zo was de getuigenverklaring niet afdoende. De hogepriester stond op en vroeg Je-zus:
A. Waarom antwoordt U niet? U hoort toch wat deze getuigen over U zeggen?
E. Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester Hem:
A. Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?
E. Jezus zei:
J. Dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen met de wolken van de hemel.
E. De hogepriester scheurde zijn kleren en zei:
A. Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oor-deel?
E. Allen oordeelden dat Hij schuldig was en de doodstraf verdiende. Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen; ze blinddoekten Hem en sloegen Hem en zeiden:
A. Profeteer nu maar!
E. En ook de dienaren gaven Hem vuistslagen.
*****
E. Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hoge-priester voorbij. Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei:
A. Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!
E. Maar hij ontkende dat en zei:
A. Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.
E. Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan. Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders:
A. Hij is een van hen!
E. Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus:
A. Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.
E. Maar hij begon te vloeken en zwoer:
A. Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!
E. En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had:
J. Nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.
E. En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen.
‘s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Nadat ze Jezus geboeid hadden, leidden ze Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus. Pilatus vroeg Hem:
A. Bent U de koning van de Joden?
E. Hij antwoordde:
J. U zegt het.
E. De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen Hem in. Pilatus vroeg Hem toen:
A. Waarom antwoordt U niet? U hoort toch waar ze U allemaal van beschuldigen?
E. Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus. Pilatus had de gewoonte om op het pesachfeest één gevangene, die door het volk gekozen werd, vrij te laten. Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tij-dens het oproer hadden gemoord. Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. Pilatus vroeg hun:
A. Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?
E. Want hij begreep wel dat de hogepriesters Hem uit afgunst hadden uitgeleverd. Maar de ho-gepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten. Toen zei Pila-tus tegen hen:
A. Wat moet ik dan doen met de man die u de koning van de Joden noemt?
E. En ze begonnen weer te schreeuwen. Ze riepen:
A. Kruisig Hem!
E. Pilatus vroeg:
A. Wat heeft Hij dan misdaan?
E. Maar ze schreeuwden nog harder:
A. Kruisig Hem!
E. Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij Hem eerst nog had laten geselen. De soldaten leidden Hem weg, het paleis (dat is het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. Ze trokken Hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten Hem die op. Daarna brachten ze Hem hulde met de woorden:
A. Gegroet, koning van de Joden!
E. Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd en bespuwden Hem, en bogen onderdanig voor Hem. Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem het purperen gewaad uit en deden Hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. Ze brachten Hem naar Golgota, wat in onze taal schedelplaats betekent. Ze wilden Hem met mirre vermengde wijn geven, maar Hij nam die niet aan. Ze kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. Het was in het derde uur na zonsopgang dat ze Hem kruisigden. Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: De koning van de Joden. Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van Hem, de ander links. De voorbijgangers keken hoofd-schuddend toe en dreven de spot met Hem:
A. Ach, kijk nou toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red jezelf toch door van het kruis af te komen.
E. Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmer-kingen:
A. Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; laat die Messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!
E. Ook de twee andere gekruisigden beschimpten Hem. Op het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem:
J. Eloï, Eloï, lema sabachtani?
E. Wat in onze taal betekent:
J. Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
E. Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen:
A. Hoor, Hij roept om Elia!
E. Iemand ging snel een spons halen, dompelde die in water met azijn, stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken, terwijl hij zei:
A. Laten we nu maar eens zien of Elia komt om Hem eraf te halen.
E. Nadat Jezus luid geroepen had, blies Hij de laatste adem uit.
*****
Hier volgt een korte stilte.
De paaskaars wordt gedoofd.
*****
E. En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij:
A. Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.
E. Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. Zij waren Jezus gevolgd en had-den Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem. Toen de avond al gevallen was (het was de voorbe-reidingsdag, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), kwam Josef van Arimatea, een vooraan-staand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. Het bevreemdde Pilatus dat Hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al ge-storven was, en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. Maria van Magda-la en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd.
Zingen: Lied 576a: 1, 2, 3, 5 en 6 (LB)
Overdenking: Menselijke zwakte, kracht in Christus Jezus
VOORBEDE
Voor de Kerk
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor alle gelovigen
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor de eenheid van alle christenen
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor het Joodse volk
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor allen die niet in Christus geloven
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor allen die niet in God geloven
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor de regeringsleiders
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Voor allen die in nood zijn
Lector gebedsoproep
...
Korte stilte
Voorganger gebed
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Zingen: Lied 203 (HH)
Slotgebed
Voorganger
...
Allen:
Heer, verhoor ons.
Zingen: Lied 562: 1, 2 & 3 (LB)
Zegengebed
Voorganger
...
Allen:
Amen.
De dienst eindigt in stilte.
Allen gaan in stilte heen.